direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Eibergen, Woongebieden 2011, herziening 2023-2 (Hondevoort 11)
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1859.BPEBG20230004-0001

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling

Voor het perceel Hondevoort 11 te Eibergen is een plan ontwikkeld voor de herontwikkeling van het perceel van de voormalige dierenarts naar woningbouw. De initiatiefnemer is voornemens om het voormalige pand van de dierenartsenpraktijk te slopen en te vervangen door twee levensloopbestendige woningen (twee-onder-een kap) en één vrijstaande woning. De bouw van drie woningen is op grond van het geldende bestemmingsplan 'Eibergen, Centrum 2011' niet mogelijk, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Plangebied

Ligging

Het plangebied ligt aan de Hondevoort 11 in het noorden van de kern Eibergen. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Eibergen, sectie K, nummer 503 en heeft een oppervlakte van 1.335 m2. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied in de kern Eibergen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1859.BPEBG20230004-0001_0001.png"

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: PDOK Viewer)

Begrenzing

De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de woning Mallumse Molenweg 5, aan de oostzijde door de Mallumse Molenweg, aan de zuidzijde door de weg Hondevoort en aan de westzijde door het perceel Hondevoort 9.

afbeelding "i_NL.IMRO.1859.BPEBG20230004-0001_0002.png"

Figuur 1.2: Begrenzing plangebied (bron: PDOK Viewer)

1.3 Wat is een bestemmingsplan?

Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van bouw- en gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat:

  • de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren; en
  • de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang).

Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden).

Een bestemmingsplan regelt daarom:

  • het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen);

en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:

  • het bebouwen van de gronden;
  • het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk
beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en
regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke
Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk
voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

1.4 Geldend bestemmingsplan

Het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan Eibergen Woongebieden 2011, vastgesteld op 3 juli 2013. Het plangebied is voorzien van de bestemming 'Maatschappelijk', de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologische verwachting 1', een bouwvlak en de maatvoering 'maximum bouwhoogte 10 meter' en 'maximum goothoogte 6 meter'. Daarnaast geldt de bestemming 'Tuin'. In figuur 1.3 is een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1859.BPEBG20230004-0001_0003.png"

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Eibergen, Woongebieden 2011' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen in het algemeen. Daaronder wordt onder andere verstaan: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen, sportvoorzieningen en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en ondergeschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen. De hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak gebouwd te worden.

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen en erven bij de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen. Op grond van de bestemming 'Maatschappelijk' en de bestemming 'Tuin' is het niet mogelijk om drie nieuwe woningen te realiseren. Een herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Onderhavig bestemmingsplan geeft een passende juridisch-planologische regeling hiervoor en toont aan dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

1.5 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige bestemmingsplan 'Eibergen, Woongebieden 2011, herziening 2023-2 (Hondevoort 11)' bestaat naast deze toelichting met bijlagen uit de volgende stukken.:

  • Regels (inclusief bijlage);
  • Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1859.BPEBG20230004-0001).

Op de verbeelding is de bestemming van de gronden binnen het plangebied aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het plan en moeten samen 'gelezen' worden.

Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten en keuzes. De toelichting maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

1.6 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Het plangebied

Eibergen is een dorp in de gemeente Berkelland. Het is gelegen in de Achterhoek in de provincie Gelderland. Eibergen ligt in het relatief laag gelegen Noordzeebekkengebied. Er is van oudsher rond Eibergen al sprake van bebouwing, echter de huidige kern Eibergen vindt zijn oorsprong in de situering van de Markeschool (1815) en de R.K.-kerk (1846).

In de periode tussen 1840 en 1940 veranderde Eibergen in een bloeiend dorp, waarin industrie, handel, landbouw en openbare functies geconcentreerd waren. Langs de oudere wegen ontstonden bebouwingslinten, die dichter werden naarmate men het dorp naderde. De historische onderlegger van de wegen en percelen veranderde nauwelijks in die periode.

Beperkte uitbreidingen vonden rond 1900 richting de nieuwe spoorlijn (1884) plaats en in de jaren 20 van de vorige eeuw op enige afstand ten zuiden van de dorpskern. Het oude dorp is heden ten dage het hart van Eibergen, met veel historisch beeldbepalende bebouwing. Het oorspronkelijke dorp ligt nu rond de huidige Brink, het winkelgebied van Eibergen. Na de tweede wereldoorlog neemt de groei van Eibergen sterk toe waarbij het accent op dorpsuitleg kwam te liggen.

Eibergen kent een aantal bedrijventerreinen te weten: De Kiefte, Mors en De Jukkenbarg. Eibergen heeft een zeer aanvaardbaar voorzieningenniveau. Zo bevinden zich in de kern verschillende winkels, basisscholen, een aantal kantoren en horecagelegenheden.

Het plangebied is gelegen aan de Hondevoort 11 te Eibergen en betreft de voormalige Lagere Landbouwschool uit 1952 met woning van het hoofd der school. Het gebouw werd voorheen gebruikt door een dierenartsenpraktijk, maar deze heeft zijn werkzaamheden verplaatst naar een locatie elders in Eibergen. Als gevolg van de verplaatsing is het pand aan de Hondevoort 11 leeg komen te staan. In figuur 2.1 is een aanzicht van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1859.BPEBG20230004-0001_0004.png"

Figuur 2.1: Aanzicht Hondevoort 11 Eibergen (bron: PDOK)

2.2 Beschrijving van het plan

De initiatiefnemer heeft het perceel Hondevoort 11 aangekocht en is voornemens om het pand te slopen. Na de sloop wenst de initiatiefnemer drie nieuwe woningen te realiseren. Het betreft een vrijstaande riante woning en twee levensloopbestendige woningen (twee-onder-een kap). In figuur 2.2 is een situatietekening van de voorgenomen ontwikkeling weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1859.BPEBG20230004-0001_0005.png"

Figuur 2.2: Impressie/vooraanzicht toekomstige situatie (bron: MAS architectuur)

Zoals is weergegeven worden er langs Hondevoort twee levensloopbestendige woningen gerealiseerd met een kavelgrootte van 310 m2 en 338 m2. De woningen zijn voorzien van één bouwlaag met kap en hebben een bouwhoogte van circa 7,5 meter hoog. De goothoogte bedraagt circa 3,5 meter. De hoofdbouw van de twee-onder-een kapwoningen hebben een vloeroppervlakte van circa 80 m2 (gezamenlijk 160 m2). Naast de woning wordt een garage van circa 25 m2 aangebouwd. De woningen worden voorzien van een oprit waar twee auto's geparkeerd kunnen worden.

Op de hoek van de Hondevoort en Mallumse Molenweg wordt een riante vrijstaande woning gebouwd bestaande uit twee bouwlagen en een kap. De kavelgrootte bedraagt 655 m2. De bouwhoogte bedraagt circa 10,5 meter en de goothoogte bedraagt circa 6 meter. De oppervlakte van de hoofdbouw bedraagt circa 85 m2. Aan de woning wordt een aangebouwd bijgebouw gerealiseerd met een oppervlakte van circa 18 m2. Aan de aanbouw/woning wordt een overkapping gerealiseerd met een opervlakte van 27 m2. Daarnaast wordt een vrijstaand bijgebouw met een oppervlakte van circa 42 m2 gerealiseerd met een carport van 35 m2. De carport voorziet in de mogelijkheid om twee auto's overdekt te parkeren. In figuur 2.3 is aanzicht van het voorgenomen bouwplan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1859.BPEBG20230004-0001_0006.png"

Figuur 2.3: Impressie woningbouwplan (bron: raaklein architectuur)

Hoofdstuk 3 Inventarisatie van het geldend beleid

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit bestemmingsplan afgewogen en door vertaald op de verbeelding en in de regels.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. In de Nationale Omgevingsvisie wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang.

Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het Rijk is systeemverantwoordelijk. Het is de rol van het Rijk om de kaders te stellen, te stimuleren, eventueel te sanctioneren, waar nodig middelen ter beschikking te stellen – bijvoorbeeld via de huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek of de regeling woningbouwimpuls voor gemeenten – en met gemeenten en provincies samen te werken om (bovenlokale, inclusief grensoverschrijdende) knelpunten op te lossen en realisatie van de nationale belangen te waarborgen.

Toets

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de toevoeging van drie woningen aan de Hondevoort in Eibergen. Zoals is beschreven ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving en de woningvoorraad bij de gemeenten en provincies. In de paragrafen 3.2.1, 3.2.2, 3.3.2 en 3.3.3 wordt de realisatie van drie woningen getoetst aan het provinciale beleid en aan de woonvisie van de gemeente Berkelland. Daarin wordt aangetoond dat het past binnen het provinciale en gemeentelijke beleid ten aanzien van wonen. Derhalve wordt geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met de uitgangspunten van de Nationale Omgevingsvisie.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.

De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.

De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Toets

Met dit bestemmingsplan wordt de sloop van een voormalige dierenartsenpraktijk en de herontwikkeling van het perceel naar drie woningen mogelijk gemaakt. Uit jurisprudentie blijkt dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is voor kleinschalige ontwikkelingen. Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921) blijkt dat de realisatie van 11 woningen niet wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid Bro. Voorliggend plan ziet toe op de realisatie van drie wooneenheden binnen bestaand stedelijk gebied. Dit wordt in lijn met de jurisprudentie over dit onderwerp niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1.6 van het Bro. Nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking kan derhalve achterwege blijven. De Ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland'

Deze Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard! Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard! Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in onze Gelderse Omgevingsvisie. Wij benoemen wat voor ons van waarde is en wat we willen beschermen. En: we geven richting aan wat we willen en ook moeten veranderen en ontwikkelen. Zo kunnen we met overtuiging en in vertrouwen de provincie doorgegeven aan volgende generaties. Een Gelderland van en voor ons allemaal en voor de kinderen van de toekomst.

Om samen stappen te zetten, hebben we een gezamenlijke horizon nodig: een gedeeld vergezicht, een gedeelde ambitie dat dient als leidraad voor ons handelen. In de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' beschrijft de provincie dit vergezicht: het beeld op de toekomst. Dit beeld is het resultaat van vele vruchtbare gesprekken met partners: inwoners, ondernemers, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties, overheden. Een vergezicht dat het accent legt op wat wij samen belangrijk vinden. Een vergezicht dat tot de verbeelding spreekt en uitnodigt en aanspoort tot actie. En: dat de provincie helpt bij het gesprek over de keuzes die te maken zijn bij het vinden van concrete oplossingsrichtingen.

De provincie Gelderland zet een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal.

  • Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.
  • Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland bevat thematische visieschetsen. Deze schetsen zijn niet bedoeld als geografische plankaart of ontwikkelkaart; ze bieden geen volledig en limitatief beeld. De schetsen zijn wel een grove schets van in het oog springende bestaande en nieuwe initiatieven, kansen, mogelijkheden en ontwikkelingen die wij op dit moment zien vanuit het perspectief van de Omgevingsvisie. De schetsen sluiten op voorhand ook niets uit. De visieschetsen dienen wat de provincie Gelderland betreft als onderlegger om met partners het gesprek te voeren over de thema's, vraagstukken en oplossingsrichtingen, zowel op de schaal van Gelderland als op regionale en lokale schaal. De provincie Gelderland heeft de volgende 7 ambities opgesteld:

  • 1. Energietransitie: van fossiel naar duurzaam;
  • 2. Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer;
  • 3. Circulaire economie: sluiten van kringlopen;
  • 4. Biodiversiteit: werken met de natuur;
  • 5. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden;
  • 6. Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio;
  • 7. Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam.

Toets

Belangrijk voor dit plan is de zevende ambitie: Woon- en leefomgeving; dynamisch, divers, duurzaam. Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. In de groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd investeert de provincie in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan het benutten van bestaande gebouwen.

Onderhavig plan heeft betrekking op de sloop van een voormalige dierenartsenpraktijk en de herontwikkeling van het perceel naar twee levensloopbestendige woningen (twee-onder-een kap) en één vrijstaande woning. De provincie Gelderland streeft naar een goede balans tussen vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën. De provincie heeft zorg en aandacht voor woonbehoeften en maakt hierover afspraken met de regio's.

Het plan wordt gerealiseerd binnen het bestaand stedelijk gebied en voorziet in twee levensloopbestendige woningen en een vrijstaande woning. Het plan voldoet aan het gemeentelijke woonbeleid/woonvisie (zie 3.3.2 en 3.3.3).

Voor wat betreft de energietransitie wil de gemeente Gelderland van fossiel naar duurzaam. De 'oude' manieren van energie opwekken en gebruiken hebben teveel negatieve effecten en passen niet meer. Om te beginnen zet de gemeente Gelderland in op energiebesparing en het terugdringen van het energieverbruik door isolatie en efficiëntere toepassingen in onder andere huizen en gebouwen. De nieuwe woningen worden conform de geldende eisen gasloos gebouwd. Daarnaast moeten de woningen voldaan aan de BENG-norm (bijna energieneutrale gebouwen). Dat betekent dat de woningen duurzaam worden gebouwd en voor een (groot) deel zelf moet voorzien in de opwek van de energiebehoefte.

Ten aanzien van klimaatadaptatie vind de provincie het belangrijk om voorbereid te zijn op de verandering van het klimaat: hoosbuien, stijgende temperaturen, extreme hitte en langdurige droogte. Bij nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk dat overtollig water zonder problemen kan worden opgevangen, kan wegstromen en in de bodem kan zakken. Het belangrijkste uitgangspunt voor het waterbeheer bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen is 'waterneutraal ontwikkelen', dus dat een ontwikkeling zijn omgeving niet belast met meer of minder water. Zo wordt voorkomen dat verdroging of wateroverlast optreedt in het plangebied van de ontwikkeling en in zijn omgeving.

Hoewel de concrete waterhuishouding voor het plan nog niet volledig is uitgewerkt zal het plan moeten voldoen aan de eisen die gelden. Om dit te borgen is in de algemene bouwregels een voorwaardelijke verplichting voor de waterberging opgenomen. De voorwaardelijke verplichting luidt: een omgevingsvergunning voor het bouwen van het hoofdgebouw kan uitsluitend worden verleend indien voor de opvang en het bufferen van hemelwater bij nieuwbouw op het eigen terrein minimaal 20 mm van het totaal aanwezige afvoerend oppervlak (grondgebonden verharding en daken) aan bergingscapaciteit gerealiseerd wordt. Daarmee wordt geborgd dat het plan voorziet in voldoende bergingscapaciteit op eigen terrein.

Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan past binnen de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

Op 19 december 2018 is de Omgevingsverordening Gelderland door de Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld. Op 31 maart 2021 heeft de Provinciale Staten het actualisatieplan 7 van de Omgevingsverordening vastgesteld.

De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit Omgevingsvisie te realiseren. Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, legt de provincie bij het uitvoeren van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. De provincie geeft hier richting aan door gezamenlijk zeven samenhangende ambities na te streven op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid; economisch vestigingsklimaat en woon- en leefklimaat. In de verordening zijn alleen regels opgenomen als dit nodig is om de provinciale ambities waar te maken of wettelijke plichten na te komen. Net als de Omgevingsvisie richt de Omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. De provincie heeft daarom bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem in deze verordening opgenomen. Alleen de Waterverordeningen (per waterschap) en de Gelderse Vaarwegverordening 2009 zijn (nog) niet in de Omgevingsverordening opgenomen.

De omgevingsverordening heeft daarom de status van:

  • Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening:
  • Milieuverordening in de zin van artikel 1.2 Wet Milieubeheer:
  • Natuurverordening in de zin van de Wet Natuurbescherming;
  • Waterverordening in de zin van de Waterwet;
  • Verkeersverordening in de zin van artikel 57 van de Wegenwet en artikel 2 A van de Wegenverkeerswet.

Met de ruimtelijke verordening stelt de provincie regels aan bestemmingsplannen van gemeenten. Doel van de verordening is om provinciale belangen op het gebied van de ruimtelijke ordening te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau. De provincie richt zich hierbij op onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, landbouw/veehouderij, natuur en landschap, grond- en drinkwater, milieu, verkeer en energie.

Toets

Het plangebied heeft op grond van de Omgevingsverordening Gelderland geen specifieke aanduiding die van invloed is op onderhavig plan. Derhalve geldt dat het plan in overeenstemming is met de Omgevingsverordening Gelderland.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Berkelland

De raad van de gemeente Berkelland heeft op 26 oktober 2010 de Structuurvisie Berkelland 2025 vastgesteld. De Structuurvisie Berkelland 2025 geeft richting aan het ruimtelijke, economische en maatschappelijke beleid van de gemeente Berkelland. Ruimtelijke en economische vraagstukken zijn de basis voor deze visie. Deze Structuurvisie is het vertrekpunt voor het verdere beleid van Berkelland voor de toekomst.

Ten aanzien van het aspect 'wonen' is het behouden van de rust, de variatie en de kleinschaligheid van het woningaanbod in de toekomst het uitgangspunt van de gemeente. De gemeente Berkelland kenmerkt zich als gemeente waar diverse vormen van ruimtegebruik naast elkaar voorkomen.

Toets

De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een voormalige dierenartsenpraktijk naar woningen op een perceel binnen een bestaande woonwijk. Als gevolg van dit plan wordt het gebouw gesloopt en vervangen door drie woningen. Deze woningen worden gerealiseerd voor de lokale behoefte van Eibergen.

Daarnaast wordt met dit plan een passende functie gerealiseerd voor een leegstaand gebouw. Daarmee wordt het plangebied een nieuwe ruimtelijke impuls gegeven en draagt bij aan de leefbaarheid in de wijk. Immers, leegstand kan leiden tot verpaupering en verloedering hetgeen een negatief effect heeft op de ruimtelijke kwaliteit van de wijk. Geconcludeerd kan worden dat het voornemen past binnen de Structuurvisie Berkelland 2025.

3.3.2 Woonvisie gemeente Berkelland 2020-2025

Als gevolg van het aflopen van de Lokale Woonagenda 2016-2020 heeft de gemeenteraad van Berkelland op 26 mei 2020 de Woonvisie gemeente Berkelland 2020-2025 vastgesteld. Door de vaststelling van de Woonvisie heeft de gemeente Berkelland haar ambitie voor de komende jaren herijkt.

In Berkelland is het plezierig wonen, dat wil de gemeente door de Woonvisie Gemeente Berkelland 2020-2025 verder versterken. De gemeente zet in op wendbaar, flexibel woonbeleid. De visie is niet in beton gegoten, maar geeft aan wat er de komende jaren nodig is, met de kennis van nu. Samen met corporaties, inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties zijn drie samenhangende ambities geformuleerd die de kern vormen van de nieuwe woonvisie:

  • a. Toekomstgerichte woningen en wijken.

De gemeente Berkelland streeft naar woningen die aantrekkelijk zijn, zowel voor de huidige als toekomstige bewoners. Meer variatie in woonvormen, kwaliteit en prijsklassen is nodig om voor alle inwoners passende en fijne woonruimte beschikbaar te hebben. Er ligt een opgave in het moderniseren, verbeteren van de uitstraling, verduurzamen, levensloopgeschikter en asbestvrij maken van de woningen.

  • b. Aantrekkelijke nieuwe woningen.

Er wordt ruimte geboden voor goede, innovatieve woningbouwplannen, die zoveel mogelijk worden ingezet voor wat de (transformatie van de) bestaande voorraad onvoldoende of (nog) niet kan bieden. Elke ontwikkeling moet raak zijn en een bijdrage leveren aan de specifieke opgaven op wijk- of kernniveau.

Het grootste knelpunt ervaart de gemeente Berkelland bij jongeren. Veel van hen zijn op zoek naar een betaalbare, instapklare (eengezins)woning. De gemeente kan hen helpen door direct voor hen te bouwen, óf door het stimuleren van doorstroming. Verder ligt er ook een knelpunt bijouderen. De wens groeit om hun ruime eengezinswoning te verlaten voor een levensloopbestendige woning. Naast jongeren en ouderen wil de gemeente ook aantrekkelijker zijn voor voor gezinnen die willen doorstromen.

  • c. Wonen, welzijn en zorg.

Ouderen moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen. Lukt dit niet dan moet er voldoende en divers aanbod aan huisvesting zijn in de kernen voor mensen met een zorgvraag. Daarbij is het van belang dat gemeente, zorgpartijen en corporaties nog beter gaan samenwerken. We hebben oog en bieden maatwerk voor de vraag van bijzondere doelgroepen, zoals statushouders en beschermd wonen.

Toets

Als gevolg van dit plan wordt een voormalige dierenartsenpraktijk gesloopt en vervangen door twee levensloopbestendige woningen en een vrijstaande woning. Zoals in paragraaf 2.2 is weergegeven worden er kwalitatief hoogwaardige woningen gerealiseerd voor een specifieke voordoende behoefte aan levensloopbestendige woningen, maar ook een riante vrijstaande woning zodat de doorstroming op de woningmarkt bevordert kan worden. Immers, als gevolg van de vrijstaande woning kan een bestaande betaalbare woning op de woningmarkt beschikbaar komen. Voor de twee-onder-een kapwoningen wordt een maximale verkoopprijs (VON) gelijk aan de NHG-grens gehanteerd. Daarnaast zal de ontwikkelaar de woningen niet (landelijk) openbaar in de verkoop zetten. Doordat geïnteresseerden zich naar aanleiding van lokale berichtgeving rechtstreeks melden bij de ontwikkelaar, wordt bereikt dat inwoners uit Eibergen en de omgeving de meeste kans maken op het verkijgen van een woning. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen plan een bijdrage levert aan de ambities van de Woonvisie 2020-2025.

3.3.3 Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in Berkelland

Op 5 december 2019 zijn de 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in Berkelland' in werking getreden. Aanleiding is dat de 7 gemeenteraden in de Regio Achterhoek in gestemd hebben met de Kwalitiatieve Toetsingscriteria voor Woningbouw in de Achterhoek. De criteria worden onderdeel van de Regionale woonagenda. De provincie toetst nieuwe wooninitiatieven aan dit document. Er ontstaat daarmee weer ruimte voor extra woningen, bovenop het aantal dat in de afspraken in de regio was vastgelegd.

De gemeente Berkelland streeft naar vitale, mooie kernen en een groen en aantrekkelijk buitengebied en zet in op het verminderen van leegstaand vastgoed. Nieuwe woningbouwplannen dragen zo mogelijk bij aan het versterken van de ruimtelijke omgevingskwaliteit en het oplossen van bestaande knelpunten in de bebouwde omgeving.

Transformatie van (leegstaand) vastgoed in de kernen heeft voorrang boven bouwen op een lege plek waar niet eerder bebouwing stond. Als dit niet wenselijk is, gaat inbreiding in de kern voor uitbreiding aan de rand van de kern of transformatie in het buitengebied.

Ontgroening (minder kinderen) en vergrijzing en maatschappelijke veranderingen zorgen voor druk op de vitaliteit van de samenleving. Verenigingen hebben het steeds moeilijker om het hoofd boven water te houden en voldoende vrijwilligers te vinden. Het aantal scholen neemt af. Ouderen blijven zo lang mogelijk zelfstandig wonen, terwijl de behoefte aan zorg toeneemt. Met gerichte woningbouw kunnen we de sociale verbondenheid enigszins stimuleren. Denk bijvoorbeeld aan collectief particulier opdrachtgeverschap, woonvormen met mogelijkheden voor ontmoeting of onderlinge zorg, woningsplitsing in het buitengebied en wooninitiatieven gericht op behoud en aantrekken van jongeren.

De kwaliteitscriteria in Berkelland zijn een nadere uitwerking van de regionale kwaliteitscriteria. Onderstaand schema geeft een samenvatting met verwijzing naar de paragrafen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1859.BPEBG20230004-0001_0007.png"

Toets

  • 1. Aantonen behoefte en inspelen op de mismatch.

De opgave voor Eibergen voor de komende jaren gaat vooral op het inspelen op mismatch in aanbod voor jongeren en ouderen. Zoals is aangegeven in paragraaf 3.3.2 ligt het grootste knelpunt bij levensloopbestendige woningen voor jongeren en levensloopbestendige woningen voor ouderen.

Het plan bestaat uit de realisatie van twee levensloopbestendige c.q. levensloopbestendige woningen in een bestaande woonwijk en een riante vrijstaande woning. Daarmee wordt ingespeeld op de behoefte aan nieuwe woningen voor starters en wordt door de realisatie van een vrijstaande woning doorstroming gecreëerd op de woningmarkt. Dit past binnen het programma voor Eibergen voor de komende jaren.

  • 2. Voorrang voor transformatie van locaties.

Woningbouwinitiatieven die zich richten op locaties waar nu nog leegstaand vastgoed staat, komen in principe eerder in aanmerking voor woningbouw dan nog onbebouwde locaties binnen de bebouwde kom. Bij transformatie kan het zowel gaan om herbestemmen als om sloop van de bebouwing, gevolgd door nieuwbouw. In Berkelland ligt de prioriteit bij:

  • Leegstaande panden in aanloopstraten van winkelgebieden en leegstaande panden op zichtlocaties, zoals de invalswegen.
  • Herbestemmen cultuurhistorisch vastgoed dat Berkelland wil behouden en dat alleen behouden kan blijven door er een woonfunctie aan toe te voegen.
  • Zorgvastgoed dat niet meer voldoet aan de eisen van nu.

Het plan betreft de sloop van een leegstaande dierenartsenpraktijk. Het pand ligt in een bestaande woonwijk in Eibergen. Als gevolg van de herontwikkeling wordt het perceel voorzien van een passende nieuwe functie die een bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving.

  • 3. Realisatietermijn binnen drie jaar.

Het plan betreft de sloop en herontwikkeling van het perceel. Met de initiatiefnemer is een realiseringsovereenkomst gesloten waarin afspraken zijn gemaakt ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Derhalve is er voldoende zekerheid geboden dat het plan binnen de realisatietermijn van drie jaar gerealiseerd is. Deze afspraken zijn in een overeenkomst met de initiatiefnemer vastgelegd.

Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Kwalitatieve criteria woningbouw.

Hoofdstuk 4 Onderzoek en uitvoerbaarheidsaspecten

Bij het opstellen van een bestemmingsplan is het verplicht om te bekijken in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling gevolgen kan hebben op de aspecten: milieu, ecologie, water, archeologie en cultuurhistorie. Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan zijn deze aspecten onderzocht en hieronder is beschreven wat de gevolgen van het plan zijn op deze aspecten en hoe die opgelost dan wel voorkomen kunnen worden.

4.1 Milieu

4.1.1 M.e.r.-plicht

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.

Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment moet een m.e.r.-rapportage op worden gesteld.

Toets

Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd. In de toelichting op het Besluit m.e.r. zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan.

Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant.

Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:

  • de aard en omvang van de ontwikkeling;
  • de vormgeving en opzet;
  • de schaalgrootte;
  • de ligging;
  • de voorgenomen functie(wijziging), en;
  • de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.

Als gevolg van dit bestemmingsplan wordt een bestaand, leegstaand pand, gesloopt en vervangen door een twee-onder-een kapwoning en een vrijstaande woning. De omgeving van het plangebied wordt vooral gedomineerd door woningen. Daarbij zijn in de omgeving zowel vrijstaande als twee-onder-een kapwoningen aanwezig.

De nieuwe woningen sluiten qua bouwmogelijkheden (bouw- en goothoogte) aan bij de bebouwing van de nabije omgeving. Daarnaast wordt qua uiterlijke verschijningsvorm aangesloten bij de naastgelegen woningen in de wijk. Het plan past stedenbouwkundig binnen de omgeving.

Het bestaande te slopen pand heeft een oppervlakte van circa 262 m2. De bebouwde oppervlakte (woningen met bijgebouwen) van het nieuwe bouwplan bedraagt 355 m2. Daarmee is er sprake van een beperkte toename van de bebouwde oppervlakte. Om te beoordelen of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. kan aansluiting worden gezocht bij de uitspraak van de Raad van State van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879). In deze uitspraak heeft de Raad van State geoordeeld dat de realisatie van twee woningen op voorheen (hobbymatige) agrarische gronden niet wordt aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Hoewel het plan betrekking heeft op de toevoeging van drie woningen op een maatschappelijke functie, kan gelet op de uitspraak van 12 juni 2019 worden geconcludeerd dat het plan niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte uitbreiding van de bebouwing op het perceel.

Daarnaast heeft het plan betrekking op de herontwikkeling van een voormalige dierenartsenpraktijk. Op grond van het geldende bestemmingsplan geldt de bestemming 'Maatschappelijk'. Hiervoor geldt dat maatschappelijke voorzieningen, culturele activiteiten, sport, verenigingen, gezondheidszorginstellingen inclusief een apotheek, dierenartsenpraktijken, overheidsinstellingen en kinder- en buitenschoolse opvang zijn toegestaan. Op grond van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering geldt voor deze maatschappelijke functies milieucategorie 2 waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter in verband met het aspect geluid. Daarmee kan de geldende bestemming worden aangemerkt als een milieubelastende functie die invloed heeft op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Door de herontwikkeling van het perceel wordt een milieubelastende functie uit de woonwijk vervangen door een woonfunctie. De functie 'wonen' kan niet worden aangemerkt als een milieubelastende functie voor de omgeving. Deze functie heeft geen aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden tot gevolg. Derhalve is er sprake van een verbeterde situatie.

Tot slot neemt het aantal verkeersbewegingen in de nieuwe situatie af. Immers, voor enkele maatschappelijke functies die zijn toegestaan op grond van het bestemmingsplan geldt de volgende verkeersgeneratie (per dag) in het gebiedstype rest bebouwde kom, weinig stedelijk:

  • Gezondheidscentrum: maximaal 22,6 verkeersbewegingen per behandelkamer;
  • Huisartsenpraktijk (-centrum):maximaal 30,5 verkeersbewegingen per behandelkamer.

Voor een twee-onder-een kapwoning (koop) geldt een maximale verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per woning. Voor een vrijstaande koopwoning geldt een maximale verkeersgeneratie van 8,6 verkeersbewegingen. De totale verkeersgeneratie van de nieuwe woningen bedraagt derhalve 25 verkeersbewegingen. In dat geval kan worden gesteld dat er sprake is van een theoretische (planologische) afname van het aantal verkeersbewegingen aangezien een huisartsenpraktijk/centrum met één behandelkamer al tot een hogere verkeersgeneratie leidt. Alles overziend kan geconcludeerd worden dat het plan geen negatieve effecten heeft op het milieu (zie paragrafen 4.1 tot en met 4.5) en dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.

4.1.2 Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Als bekend is welke activiteiten concreet worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan en vergunningvrij bouwen mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn deze richtafstanden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1859.BPEBG20230004-0001_0008.png"

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering

Toets

Het plangebied ligt in een gebied dat gedomineerd wordt door de woonfunctie. Derhalve geldt dat het plangebied wordt aangemerkt als 'rustige woonwijk'.

Zoals beschreven geeft de VNG-brochure een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Bij de realisatie van een nieuwe functie wordt gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol. Enerzijds is belangrijk of de nieuwe functie in de omgeving past (externe werking) en anderzijds is het van belang of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking).

Externe werking

Bij de externe werking gaat het om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die vanuit hinder of gevaar bezien in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Dan wel als omliggende bedrijven worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.

De functie 'wonen' kan niet worden aangemerkt als een milieubelastende functie voor de omgeving. Deze functie heeft geen aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden tot gevolg. Ook worden omliggende bedrijven niet belemmerd in hun bedrijfsvoering, aangezien de nieuwe woningen niet binnen de richtafstand van in de nabijheid gelegen bedrijven ligt.

Interne werking

Bij de interne werking gaat het om de vraag of de drie nieuwe woningen hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Er moet voor de nieuwe woningen sprake zijn van een aanvaardbaar woon- een leefklimaat.

In de omgeving van het plangebied zijn enkele milieubelastende functies aanwezig. Het betreft een maatschappelijke functie, detailhandelsfunctie en een bedrijf. Hieronder wordt het plan getoetst aan de geldende richtafstanden:

afbeelding "i_NL.IMRO.1859.BPEBG20230004-0001_0009.png"

Figuur 4.2: Toets richtafstanden

Het meest nabijgelegen milieubelastende object is gelegen aan de Hondevoort 18 en betreft een gezondheidscentrum (Goud) waar hulpverleners zijn gevestigd met een eigen praktijk, waaronder yogadocenten, psychologen, psychiaters, een huisarts maar ook praktijken rond alternatieve healings. Voor een buurt- en clubhuis/gezondheidscentrum geldt op grond van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering een richtafstand van 10 meter in verband met het aspect geluid. De richtafstand gemeten vanaf de grens van de milieubelastende bestemming 'Maatschappelijk' tot aan de dichtsbijzijnde gevel van de woning bedraagt 23 meter. Derhalve wordt voldaan aan de richtafstand die geldt.

Daarnaast wordt tevens aan de richtafstanden van de overige in de nabijheid gelegen milieubelastende functies (zie figuur 4.2). Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. In de nieuwe woningen kan een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd worden.

4.1.3 Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.

Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Toets

Om te onderzoeken of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor de nieuwe woonfunctie is door Kruse Milieu een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 (projectnummer 22001810, d.d. 8 februari 2022) uitgevoerd. De onderzoekslocatie is deels bebouwd met een te slopen pand, deels verhard met klinkers, puingranulaat, grind en astfalt en deels onverhard en begroeid met gras en groenstroken (tuin). Het verkennend bodemonderzoek is als Bijlage 1 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten weergegeven:

Resultaten veldwerk

In totaal zijn er 9 boringen verricht, waarvan er 3 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn, zwak siltig zand. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld, in het puingranulaat of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater in peilbuis 1 is aangetroffen op 2.9 m-mv.

Resultaten chemische analyses

Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd:

  • de bovengrond (BG) is niet verontreinigd;
  • de ondergrond (OG ) is niet verontreinigd;
  • het grondwater (PB 1) is zeer licht verontreinigd met barium en zink.

Conclusies en aanbevelingen

In het grondwater (PB 1) zijn enkele zeer lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 in Bijlage 1 van het bodemonderzoek. In de boven- en ondergrond (BG en OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren.

Slotconclusie

Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).

4.1.4 Geluid

De mate waarin geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, staat in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Als nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te doen naar de geluidsbelasting door omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Het geluidaspect bestaat in dit geval uit twee delen. Industrielawaai en wegverkeerslawaai.

Toets

Wegverkeerslawaai

Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van:

  • a. in stedelijk gebied:
      • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter;
      • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter;
  • b. in buitenstedelijk gebied:
      • voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter;
      • voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;
      • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.

Deze zonering geldt niet:

  • c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
  • d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt;
  • e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt.

Het plangebied is gelegen aan de Hondevoort 11, waarvoor een maximumsnelheid geldt van 30 km per uur. Het plangebied wordt via Hondevoort (en de Mallumse Molenweg) ontsloten op de Burgemeester Wilhelmweg die de kern Eibergen met Haaksbergen verbindt. Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van de Burgemeester Wilhelmweg waarvoor een maximumsnelheid geldt van 50 km per uur. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is noodzakelijk om de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer te berekenen op de nieuwe woningen. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd door Munsterhuis Geluidsadvies (22.099, d.d. 16 september 2022) en als Bijlage 2 bijgevoegd. De geluidbelastingen zijn vastgesteld door middel van Standaard Rekenmethode II, zoals beschreven in het 'Reken- en meetvoorschrift Geluid 2012'. Hieronder zijn de conclusies van het akoestisch onderzoek weergegeven:

  • Het blijkt dat ter plaatse van de woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van de Burgemeester Wilhelmweg niet wordt overschreden. De maximale geluidbelasting ten gevolge van Burgemeester Wilhelmweg bedraagt 40 dB (inclusief 5 dB aftrek) op de zuidgevel van woning A;
  • Het blijkt de gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer ter plaatse van alle woningen de 53 dB overschrijdt. Daarmee wordt niet voldaan aan de vereiste binnenwaarde van 33 dB uit het Bouwbesluit. Extra geluidwerende voorzieningen zijn noodzakelijk. Dit moet in een gevelweringonderzoek worden aangetoond.

Industrielawaai en railverkeerslawaai

Vanwege het ontbreken van een geluidgezoneerd industrieterrein en spoorweg in de nabijheid van het plangebied kan toetsing aan het aspect 'industrielawaai' en 'railverkeerslawaai' achterwege blijven.

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.1.5 Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit;

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid:

  • Activiteitenbesluit milieubeheer. In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm.
  • Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal.
  • Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten.
  • Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.

Toets

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1859.BPEBG20230004-0001_0010.png"

Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (bron: Atlas Leefomgeving).

Uit de inventarisatie blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. De dichtsbijzijnde risicobron betreft de Burgemeester Wilhelmweg (wegvak G22, NH18: afrit Nh22) waarover de vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze weg ligt op een afstand van circa 147 meter van het plangebied. Het groepsrisicoplafond bevindt zich op een afstand van 9 meter rondom de weg Verder blijkt uit de inventarisatie dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.1.6 Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen);
  • Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (nibm) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip "niet in betekenende mate" is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling nibm is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling nibm kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Met grenswaarden voor beide stoffen van 40 µg/m3 komt dit neer op een bijdrage van 1,2 µg/m3.

Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze "gevoelige bestemmingen" zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerzijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van "gevoelige bestemmingen" binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007

In deze regeling staan criteria en eisen waaraan de berekeningen en de rekenmodellen moeten voldoen. Hieronder een overzicht van de rekenmodellen:

  • NIBM-tool: eenvoudige berekening van emissies van verkeer volgens worst case benadering;
  • CARII: berekening van emissies voor binnenstedelijk verkeer;
  • ISL2: berekening van emissies voor buitenstedelijk verkeer;
  • ISL3a: berekening van emissies van industrie (ondermeer veehouderijen).

Overwegingen

Voor woningbouwlocaties met maximaal 1.500 woningen (met één ontsluitingsweg) of 3.000 woningen (met twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) hoeft geen beoordeling op luchtkwaliteit plaats te vinden. Met dit bestemmingsplan worden drie woningen gerealiseerd. Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals hierboven zijn beschreven, kan worden gesteld dat voorliggend plan voor de realisatie van vijf aaneengebouwde woningen 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Tevens kan de realisatie van woningen niet aangemerkt worden als de realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen de zone van een Rijks- of provinciale weg. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.2 Ecologie

Bij ruimtelijke plannen moet aandacht worden besteed aan de natuurwetgeving. In de natuurwetgeving kan een tweedeling worden gemaakt in soort- en gebiedsbescherming. Zowel soortbescherming als de gebiedsbescherming gebeurt sinds 1 januari 2017 via de Wet natuurbescherming. Omdat overtreding van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden op voorhand niet uitgesloten kan worden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, is Natuurbank Overijssel (projectnummer 4530, versie 1.0, d.d. 17 oktober 2022) gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming, Natura 2000 en Gelders Natuurnetwerk in beeld te brengen. De resultaten zijn verwerkt in de quickscan natuurwaarden die als Bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan is opgenomen. In de quickscan natuurwaarden worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Hieronder worden de resultaten voor de soortenbescherming en gebiedsbescherming beschreven.

4.2.1 Soortenbescherming

Sinds 1 april 2002 regelde de Flora- en faunawet de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren (beschermde flora- en faunasoorten). Inmiddels is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen tot gevolg hebben dat beschermde soorten in het geding komen. Als dergelijke soorten aanwezig zijn en door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling bedreigd worden, moet een ontheffing aangevraagd worden.

Het plangebied is op 21 juli 2022 tijdens de daglichtperiode (ochtend) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht.

De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepaling 'het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen.

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting gerooid wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen'. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Deze functie is voor de voorkomende soorten niet beschermd en leidt niet tot wettelijke consequenties.

4.2.2 Gebiedsbescherming

Vanaf oktober 2005 vond de gebiedsbescherming in Nederland plaats via de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998, sinds 1 januari 2017 onderdeel van de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming kent de volgende beschermde gebieden:

  • Natura 2000-gebieden (vogel- en habitatrichtlijngebieden);
  • Beschermde natuurmonumenten;
  • Natuurnetwerk Nederland;
  • Nationale landschappen.

Natura 2000-gebieden

Voor beschermde Natura 2000-gebieden geldt dat door projecten en handelingen geen verslechtering van de kwaliteit van de habitats of een verstorend effect op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen mag optreden. Binnen de Natura 2000-gebieden zijn de Vogelrichtlijngebieden en Habitatrichtlijngebieden te onderscheiden. De Vogelrichtlijn heeft tot doel alle in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de EU te beschermen. De Habitatrichtlijn is zowel gericht op de bescherming van soorten als natuurlijke habitats.

Het plangebied ligt op minimaal 6,4 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Buurserzand & Haaksbergervenen. Daarnaast ligt op 11,7 kilometer afstand het Natura 2000-gebied Stelkampsveld. In figuur 4.4 is de ligging van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1859.BPEBG20230004-0001_0011.png"

Figuur 4.4: Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: Atlas Gelderland

De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie.

Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gelet. Er is derhalve geen sprake van optische verstoring. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten is er ook geen sprake van verstoring in de vorm van geluid, trillingen of het aantasten van abiotische omstandigheden. Een negatief effect op de Natura 2000-gebieden wordt uitgesloten.

Beoordeling stikstof (ontwikkelfase)

Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen en het vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebeid, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht.

Beoordeling stikstof (gebruiksfase)

Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt door de bouw van drie woningen af ten opzichte van het huidig geldende bestemmingsplan. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten (geen toename van verkeersbewegingen en de woningen worden gasloos gebouwd) in de gebruiksfase en de afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een negatief effect op de Natura 2000-gebieden.

Beschermde natuurmonumenten

Beschermde natuurmonumenten hebben als doel om gebieden met een natuurwetenschappelijke of landschappelijke betekenis te vrijwaren van ingrepen. Het kan gaan om gebieden met zeldzame plant- en/of diersoorten, maar ook om gebieden die door hun ontstaansgeschiedenis, bodembouw of landschappelijke schoonheid waardevol zijn. In de omgeving van het plangebied aan de Hondevoort 11 in Eibergen bevindt zich geen beschermd natuurmonument. Voor dit plan hoeft hier niet verder op worden ingegaan.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang.

Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk.

De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte. De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provincie dekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities.

Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Op onderstaande figuur 4.5 is de ligging van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1859.BPEBG20230004-0001_0012.png"

Figuur 4.5: Ligging plangebied t.o.v. Gelders Natuurnetwerk (bron: Natuurbank Overijssel)

De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone kent geen externe werking.

Er vinden geen activiteiten plaats op gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk behoren. Omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen externe werking kent, hoeft voorgenomen plan niet getoetst te worden aan regels voor de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland.

Nationaal landschap

In de Nota Ruimte wijst het rijk twintig Nationale Landschappen aan. Dit zijn gebieden met (inter)nationaal zeldzame of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee bijzondere, natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. De opgave voor deze Nationale Landschappen is het behouden, duurzaam beheren en waar mogelijk versterken van de bijzondere kwaliteiten.

In de omgeving van Eibergen bevindt zich het Nationaal Landschap De Graafschap en Nationaal Landschap Winterswijk. Het plangebied bevindt zich op zeer grote afstand waardoor het plan niet leidt tot negatieve effecten op het Nationaal Landschap.

Conclusie

Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone of Natura 2000- gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone geen externe werking kennen. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, kleine toename verkeer in gebruiksfase en de afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een negatief effect op de Natura 2000-gebieden. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht. Los van een eventuele toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, geldt een vrijstelling van de vergunningplicht voor toename van stikstofdepositie, veroorzaakt gedurende de ontwikkelfase.

Het aspect 'ecologie' zorgt niet voor belemmeringen voor het vaststellen van dit bestemmingsplan.

4.3 Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

4.3.1 Beleidskader

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nationale Omgevingsvisie en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de relevante nota's.

Europa

  • Kaderrichtlijn Water (KRW).

Nationaal

  • Nationaal Water Programma 2022-2027 (NW);
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
  • Deltaprogramma;
  • Waterwet.

Provinciaal

  • Omgevingsvisie Gelderland;
  • Omgevingsverordening Gelderland.

Regionaal / lokaal

  • Waterbeheerprogramma 2022-2027 Rijn en IJssel

Het waterschap Rijn en IJssel zorgt voor het water in de omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en stevige dijken. Dit wordt gedaan met diepgewortelde vak- en gebiedskennis en door het verbinden van beleid én uitvoering. Het waterschap werkt met een ondernemende houding, gericht op maatschappelijk toegevoegde waarde, in samenwerking met haar partners en inwoners in de Achterhoek, de Liemers en Overijssel, wendbaar en gebied-nabij.

Ondanks dat er veel verandert in en rond het water, blijven de kerntaken van het waterschap in ieder geval:

  • het peilbeheer van grond- en oppervlaktewater
  • het onderhouden en beheren van de waterkeringen en watergangen
  • het transporteren en zuiveren van afvalwater
  • het verbeteren van de waterkwaliteit
  • de vergunningverlening, toezicht en handhaving.

Daarbovenop ziet het waterschap voor de periode 2022-2027 als belangrijkste speerpunt de opgave om haar gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor wordt naar een andere belans van vasthouden-bergen-afvoeren (vooraadbeheer) toegewerkt, rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. Wij investeren gebiedsbreed in een toename van de veerkracht, anticiperend op de nieuwe inzichten over de snelheid van klimaatverandering richting 2050.

Het waterschap Rijn en IJssel is dus primair verantwoordelijk voor de waterhuishouding in het plangebied. Onder de verantwoordelijkheden vallen onder andere beveiliging tegen hoog water, peilbeheer en aan- en afvoer van water. Daarnaast wordt geadviseerd hoe om te gaan met hemelwater. De gemeente heeft een zorgplicht voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afvalwater en regenwater en voor de aanpak van grondwaterproblemen.

4.3.2 Water in het plangebied

Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.

Waterschap Rijn en IJssel werkt hierbij vanuit het Waterbeheerprogramma 2022-2027 waarin het taakgebied, de doelen en de maatregelen die het waterschap tot en met 2027 voor ogen heeft, staan beschreven. Een kompas voor de langere termijn biedt de Watervisie 2030. Beide documenten bieden een samenwerkingsagenda voor ieder die op het gebied van water een belang of betrokkenheid heeft.

Het waterschap laat in het waterbeheerprogramma zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten in de samenwerking met de partners belangrijk zijn. Het waterschap heeft de werkzaamheden voor het waterbeheerprogramma weergegeven in vier thema's:

  • klimaatrobust gebied;
  • Veilig gebied;
  • Circulaire Economie en Energietransitie;
  • Gezone leefomgeving.

Het waterschap werkt met de gemeente samen aan een goede ruimtelijke ordening via het proces van de Watertoets.

Wateradvies

De initiatiefnemer heeft op 15 juli 2022 het waterschap geïnformeerd over het plan. Het waterschap heeft op 5 augustus advies uitgebracht (geregistreerd onder zaaknummer 58667). De ontwikkeling betreft het slopen van bestaande bebouwing en herbouwen van drie woningen aan de Hondevoort 11 te Eibergen.

Het belangrijkste uitgangspunt voor het waterbeheer bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen is 'waterneutraal ontwikkelen', dus dat een ontwikkeling zijn omgeving niet belast met meer of minder water. Zo wordt voorkomen dat verdroging of wateroverlast optreedt in het plangebied van de ontwikkeling en in zijn omgeving.

Bij ontwikkelingen met een totale oppervlakte kleiner dan 1500 m2 bestaat de opgave voor waterneutraal ontwikkelen uit het oplossen van bestaande knelpunten in de waterhuishouding en het klimaatrobuust maken van de nieuwe inrichting. Hiertoe zal geïnventariseerd moeten worden of er bestaande problemen zijn met wateroverlast, en welke oorzaak deze hebben. Ook kan met behulp van de klimaateffectatlas (https://www.weetvanwater.nl/klimaatatlas) per gemeente bekeken worden of er in het gebied effecten als gevolg van extreme neerslag, droogte of hitte te verwachten zijn.

In het verleden is bij stedelijke ontwikkelingen niet altijd goed rekening gehouden met gevolgen voor het watersysteem. Ook is in het verleden niet altijd voldoende rekening gehouden met extreme neerslag (en de toename hiervan door klimaatverandering). Bij sloop en herbouw ontstaat de mogelijkheid om het plan nu wel klimaatrobuust te maken. Bijvoorbeeld door maatregelen te nemen om hemelwater te vast te houden.

De huidige bebouwing in het plangebied heeft een oppervlakte van circa 260 m2 en is zowel aan de voorzijde (circa 185 m2) als de achterzijde (circa 245 m2) grotendeels verhard. De verharde oppervlakte van de bebouwing en de verharding bedraagt derhalve circa 691 m2.

De hoofdbouw van de twee-onder-een kapwoningen heeft een vloeroppervlakte van circa 80 m2 (gezamenlijk 160 m2). Naast de woningen wordt een garage van circa 25 m2 aangebouwd (gezamenlijk 50 m2).

De oppervlakte van de hoofdbouw van de vrijstaande woning bedraagt circa 85 m2. Aan de woning wordt een aangebouwd bijgebouw gerealiseerd met een oppervlakte van circa 18 m2. Aan de aanbouw/woning wordt een overkapping gerealiseerd met een opervlakte van 27 m2. Daarnaast wordt een vrijstaand bijgebouw met een oppervlakte van circa 42 m2 gerealiseerd met een carport van 35 m2. De totale bebouwde oppervlakte van de nieuw te bouwen woningen inclusief bijgebouwen bedraagt derhalve circa 691 m2.

Om de gevolgen van neerslaag te onderzoeken is via de klimaatatlas onderzocht wat de gevolgen zijn van een bui van 160 mm neerslag in 2 uur. De kans dat zo'n bui zich voordoet is 1 keer per 1000 jaar. Hieronder worden de gevolgen voor het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1859.BPEBG20230004-0001_0013.png"

Figuur 4.6: Uitsnede klimaatatlas bui 160 mm/2 uur (bron: weetvanwater.nl/klimaatatlas)

Bij een bui van 160 mm per 2 uur zijn de omliggende wegen bij het plangebied reeds begaanbaar, met uitzondering van een deel van de weg Hondevoort voor het plangebied. Die weg is dan uitsluitend nog voor calamiteitenvervoer begaanbaar. De waterdiepte (in cm) neemt niet als gevolg van het plan niet toe. Dit is te verklaren doordat het plangebied hoger ligt dan de omliggende woningen langs de Mallumse Molenweg. Om te voorkomen dat het afstromende water in het plangebied leidt of kan leiden tot negatieve effecten bij de omliggende woningen worden er in het plangebied maatregelen getroffen om water in het plangebied op te vangen en om het hemelwater op eigen terrein te laten infiltreren.

De gemeente Berkelland heeft in het Watertakenplan Berkelland de inrichting en het beheer van de afvalwaterketen en het watersysteem voor de periode 2019-2023 beschreven. Bij nieuwbouwsituaties dient de eigenaar van gebouwen en percelen het regenwater zelf binnen de perceelgrens te verwerken. Dimensionering van infiltratievoorzieningen op basis van de richtlijnen voor berging en overloop, waarbij de berging wordt betrokken op daken plus verharding betreft voor inbreidingslocaties 20 mm infiltratie met overloop naar oppervlaktewater, groenstrook of straat. Bij de verdere uitwerking van de planontwikkeling wordt de wateropgave verder uitgewerkt, waarbij geldt dat de waterhuishoudingsopgave bij de definitieve aanvraag omgevingsvergunning gereed moet zijn. Om te borgen dat er aan de verplichting voor de waterberging in het plangebied wordt voldaan is een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen.

In de algemene bouwregels is een voorwaardelijke verplichting voor de waterberging opgenomen. De voorwaardelijke verplichting luidt: een omgevingsvergunning voor het bouwen van het hoofdgebouw kan uitsluitend worden verleend indien voor de opvang en het bufferen van hemelwater bij nieuwbouw op het eigen terrein minimaal 20 mm van het totaal aanwezige afvoerend oppervlak (grondgebonden verharding en daken) aan bergingscapaciteit gerealiseerd wordt. Concreet betekent dit dat om de omgevingsvergunning te kunnen verlenen voldoende bergingscapaciteit gerealiseerd moet worden.

4.4 Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn moet er een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, als deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.

Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Archeologie

Gemeente Berkelland beschikt over eigen archeologiebeleid. Er is een vastgestelde archeologische beleidsadvieskaart die gebruikt is als toetsingskader voor de archeologische verwachting, zie figuur 4.7.

afbeelding "i_NL.IMRO.1859.BPEBG20230004-0001_0014.png"  Figuur 4.7: Uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: Hamaland Advies/Willemse en Keunen, 2014)

Op de beleidskaart van de gemeente Berkelland (zie figuur 4.7) heeft het westelijke deel van het plangebied de aanduiding AWG categorie 3: bekende archeologische vindplaats met rondom een attentiezone van 50 meter. De vindplaatsen zelf liggen verder naar het noord(west)en. In het oostelijke deel is sprake van AWV categorie 5 (hoog en afgedekt). Bij meerdere waardes is de hoogste waarde leidend, in dit geval AWG categorie 3. Archeologisch vooronderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 30 cm-mv en groter dan 50 m². Derhalve is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Toets

Hamaland Advies heeft ten behoeve van de sloop van de bestaande bebouwing en de bouw van drie woningen een archeologisch bureauonderzoek en bouwdossieronderzoek uitgevoerd. De resultaten van het bureauonderzoek en bouwdossieronderzoek zijn verwerkt in het rapport "Bureauonderzoek, Bouwdossieronderzoek en Verkennend Booronderzoek Archeologie Plangebied Hoek Hondevoort - Mallumse Molenweg te Eibergen" (projectnummer 223981, d.d. 25 augustus 2022). Het rapport is opgenomen als Bijlage 4 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Hieronder worden de resultaten van het bureauonderzoek, bouwdossieronderzoek en verkennend booronderzoek weergegeven.

Bureauonderzoek en bouwdossieronderzoek

Het plangebied ligt buiten de historische kern van Eibergen. Geomorfologisch is ter hoogte van het plangebied sprake van gordeldekzandwelvingen en een gordeldekzandrug waarop een oud-bouwlanddek ontstaan is. Op circa 100 meter ten noorden van het plangebied bevindt zich de beekdal van de Berkel. Bij eerder archeologisch onderzoek in de omgeving van het plangebied zijn in het dekzand restanten van podzolbodems aangetroffen, die worden afgedekt door een meer dan 50 centimeter dik esdek (hoge zwarte enkeerdgrond).

De relatief hooggelegen delen van het landschap in de nabijheid van water, zoals het met dekzand bedekte rivierterras waarop Eibergen zich bevindt, vormen van oudsher gunstige vestigingslocaties voor zowel jagers-verzamelaars vanaf het laat-Paleolithicum als voor sedentaire (landbouw)samenlevingen vanaf het Neolithicum. Direct ten noordwesten van het plangebied is een erf uit de midden-ijzertijd aangetroffen.

Op historisch kaartmateriaal is het plangebied onbebouwd totdat de huidige bebouwing in 1952 gerealiseerd is. Het lag aan een kruising van twee wegen/paden, waarvan één de Weg van Eibergen naar Haaksbergen was.

Indien in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn, komen deze voor in en direct onder het oude esdek. Op basis van onderzoek uit de omgeving blijkt dat de top van het dekzand vanaf 40 à 85 cm-mv aanwezig is. Sporen kunnen op de overgang van de (indien aanwezige) B-horizont naar de C-horizont aangetroffen worden. De top van de C-horizont wordt vanaf 85 à 190 cm-mv verwacht, afhankelijk van de dikte van het esdek en het wel of niet ontbreken van een B-horizont.

Uit het bouwdossieronderzoek blijkt dat de diepste verstoringen zich ter plaatse van het hoofdgebouw bevinden. De funderingen en de kelder zijn tussen 90 cm-mv en 220 cm-mv uitgegraven. Voor de garage reikt de verstoring tot 80 cm-mv. Voor de overige gebouwen of overkappingen is de verstoring minimaal.

Booronderzoek

Binnen het plangebied is onder de bouwvoor en de puinverharding sprake van een dikke eerdlaag. De top hiervan ligt tussen 60 en 90 cm-mv (respectievelijk boring 2-3 en 1). De laag heeft een dikte van 55 tot 80 centimeter (respectievelijk boring 3 en 5). De gemiddelde dikte bedraagt circa 65 centimeter. Met uitzondering van boring 3 gaat de eerdlaag geleidelijk over in een ouder plaggendek, waarvan de top tussen 135 cm-mv (boring 4) en 160 cm-mv (boring 2) aangetroffen is. Dit plaggendek heeft een dikte van 25 centimeter (boring 5) tot 90 centimeter (boring 2). In boring 1, 4 en 5 gaat deze laag geleidelijk over in het ongeroerde dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). De top ligt op respectievelijk 225, 165 en 175 cm-mv. In boring 3 gaat de eerdlaag op 115 cm-mv scherp over in het dekzand en ontbreekt het oudere plaggendek volledig. In boring 2 is onder het oudere plaggendek een laag stuifzand aanwezig tussen 250 en 265 cm-mv. Daaronder is een donkerbruine, humeuze, matig siltige laag met houtskool aangetroffen. Mogelijk is hier een grondspoor aangeboord. Op 285 cm-mv is het natuurlijke dekzand waargenomen.

Selectieadvies

Indien de bodemingrepen dieper reiken dan de top van de eerdlaag (65 cm-mv) worden relevante archeologische niveaus bedreigd. Onder de huidige bebouwing kunnen ook nog archeologische resten aanwezig zijn, met uitzondering van de onderkelderde delen.

Hamaland Advies adviseert daarom om een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren. Het doel van het proefsleuvenonderzoek is het in kaart brengen van de aanwezige archeologische resten. Indien er sprake is van een behoudenswaardige vindplaats adviseert Hamaland advies om vanwege de geringe oppervlakte van het plangebied (1.330 m²) een doorstart te maken naar een opgraving. Voorafgaand aan gravend onderzoek dient een Programma van Eisen opgesteld te worden dat ter toetsing wordt voorgelegd aan gemeente Berkelland en de Regioarcheoloog van de ODA.

Bij de aanvraag om omgevingsvergunning wordt het proefsleuvenonderzoek aangeleverd. Op basis van het archeologisch onderzoek blijft derhalve de dubbelbestemming voor de bescherming van de archeologische waarden behouden.

4.5 Verkeer en parkeren

Verkeer

Het plangebied ligt aan de Hondevoort 11 in Eibergen. Het plangebied wordt via Hondevoort (en de Mallumse Molenweg) ontsloten op de Burgemeester Wilhelmweg die de kern Eibergen met Haaksbergen verbindt. De Hondevoort heeft een wegbreedte van 5 meter.

Om de verkeersgeneratie als gevolg van het plan te bepalen wordt aangesloten bij de verkeerskencijfers van de CROW publicatie 381 (december 2018). Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten:

  • Stedelijkheidsgraad: weinig stedelijk;
  • stedelijk gebied: rest bebouwde kom;
  • Koop, huis, twee-onder-een kap;
  • Koop, huis, vrijstaand;

Voor een twee-onder-een kapwoning geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 verkeersbewegingen per woning. De verkeersgeneratie van de twee-onder-een kapwoningen bedraagt derhalve afgerond 16 verkeersbewegingen per dag (2 * 7,8 = 15,6).

Voor een vrijstaande woning geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per woning. De totale verkeersgeneratie als gevolg van het plan voor de realisatie van twee twee-onder-een kapwoningen en één vrijstaande woning afgerond 24 verkeersbewegingen per dag (15,6 + 8,2 = 23,8). Deze verkeersbewegingen kunnen eenvoudig via de bestaande infrastructuur worden afgewikkeld. Immers, het aantal verkeersbewegingen neemt in de nieuwe situatie af ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden.

Parkeren

De gemeente Berkelland heeft de verplichting opgenomen dat de inrichting van de gronden zodanig moet plaatsvinden dat wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. Voor de twee-onder-een kapwoningen wordt een maximale verkoopprijs (VON) gelijk aan de NHG-grens gehanteerd. Op basis van de gemeentelijke parkeernormen wordt derhalve aangesloten bij het type 'woning sociale sector' waarvoor een parkeernorm geldt van 1,5 parkeerplaatsen per woning. Derhalve bedraagt de parkeerbehoefte van de twee-onder-een kapwoning 3 parkeerplaatsen. Zoals in figuur 4.8 is weergegeven wordt er bij de twee-onder-een kapwoningen voorzien in een oprit (lengte 10 meter met een breedte van 4, 5 meter) waar twee auto's geparkeerd kunnen worden. Daarmee wordt voorzien in de parkeerbehoefte van de twee-onder- een kapwoningen.

Voor een vrijstaande woning geldt een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen (woning dure sector). Bij de vrijstaande woning wordt een carport/overkapping gerealiseerd met een oppervlakte van circa 35 m2 (5,6 x 6,4 m). Daarmee worden twee parkeerplaatsen gerealiseerd waardoor voldaan wordt aan de parkeerbehoefte.

afbeelding "i_NL.IMRO.1859.BPEBG20230004-0001_0015.png"

Figuur 4.8: Realisatie parkeerplaatsen (bron: raaklein architectuur)

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen moeten in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.

Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.1 Verbeelding

Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld:

  • 1. Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één 'enkel' bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
  • 2. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.

5.2 Hoofdstukindeling van de regels

De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2).
  • 2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld.
  • 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en algemene procedureregels.
  • 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.3 Bestemmingsregels

De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van wat hiervoor is beschreven. Dit bestemmingsplan kent twee bestemmingen en een dubbelbestemming. Deze bestemmingen worden hieronder kort toegelicht.

Bestemming Tuin

Deze gronden behoren bij de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen. Ook mogen er erkers gebouwd worden ten dienste van de aangrenzende bestemming 'Wonen'.

Bestemming Wonen

Deze bestemming heeft betrekking op de woningen, al dan niet in combinatie met vrije beroepen, die bij recht mogelijk zijn. Voorts zijn bedrijfsmatige activiteiten aan huis mogelijk, als burgemeester en wethouders besluiten om hiervoor bij een omgevingsvergunning af te wijken van het plan. Bedrijfsmatige activiteiten aan huis zijn dus activiteiten die niet onder de vrije beroepen vallen maar waaraan toch onder voorwaarden medewerking kan worden verleend als aan de opgenomen criteria hiervoor wordt voldaan.

Waarde - Archeologische verwachting 1

De gronden met de dubbelbestemming gericht op de archeologie zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), ook bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van archeologische waarden in de bodem. Het toetsingsniveau en het wel of niet uitvoeren van een archeologisch onderzoek is bij elke dubbelbestemming verschillend.

5.4 Algemene regels

Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.

De parkeernormen voor het plangebied zijn opgenomen als bijlage bij de regels en hebben betrekking op de algemene gebruiksregels in het plan. De inrichting van de gronden moet zodanig plaatsvinden, dat wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen zoals weergegeven in de bijlage 'Parkeernormen' die bij deze regels is gevoegd.

Het bevoegd gezag kan overigens bij een omgevingsvergunning afwijken van de in het plan voorgeschreven parkeernormen.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Voorliggend bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk, dat is benoemd in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent, dat tegelijkertijd met dit bestemmingsplan een exploitatieplan moet worden vastgesteld, waarmee de gemeente de door haar te maken kosten kan verhalen op de initiatiefnemer.

Een exploitatieplan hoeft niet vastgesteld te worden als verhaal van kosten anderszins is verzekerd, en tevens locatie-eisen niet nodig zijn of anderszins zijn verzekerd.

De gemeente neemt niet deel aan de ontwikkeling van dit plan. De gemeente verzorgt de planologische kaders na toetsing van de planontwikkeling. De ambtelijke kosten voor de realisatie van het plan zijn voor de gemeente anderszins verzekerd via de legesverordening en een anterieure overeenkomst. In deze anterieure overeenkomst wordt tevens vastgelegd dat mogelijke planschade voor rekening van de initiatiefnemer is. Het vaststellen van een exploitatieplan is hiermee niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (zienswijzenprocedure).

7.1 Inspraak

Het voorontwerpbestemmingsplan is ter inspraak aangeboden. Van xxx tot en met xxx ligt het plan ter inzage. Tijdens deze termijn kan iedereen zijn of haar inspraakreactie geven over dit plan. Dit kan schriftelijk en mondeling.

Inspraakreacties

De beoordeling van de inspraakreacties wordt na afloop van de terinzage termijn beschreven.

7.2 Vooroverleg

Volgens artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening moet het bestemmingsplan worden voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

Dit bestemmingsplan is niet toegezonden aan de provincie omdat er geen sprake is van bovenlokaal belang. Het waterschap is wel om een reactie gevraagd. De reactie van het waterschap is in paragraaf 4.3.2 beschreven.